Werken met de handelingsimpuls in opvoeding

Gesprek over de handelingsimpuls van een basis-school-leerling

De moeder vertelt over haar zoon van 10 jaar. Wij luisteren met de vraag in ons achterhoofd: “Wat doet hij?” Na de beschrijvingen vertellen we elkaar wat ons is ingevallen:

Hij doet wat een crisismanager moet kunnen doen: Nieuwe situaties aangaan, op een creatieve manier, aanpakken in het nu. “aanpakkend aangaan”

Ik hoor over een mensenmens: persoonlijk in contact zijn, duizend vragen stellen, Hij heeft goed door wat er in een ander omgaat. Hij doet wat een gastheer moet kunnen doen, je welkom heten, je het gevoel geven dat je er toe doet. “vragend contact maken”

Ik zie een medewerker op een zorgboerderij, in de natuur aan het werk. Hij voelt aan wat anderen nodig hebben. “aanvoelend werken”

Out of the box denken, nieuwe dingen uitvinden voor dieren. “uitvindend denken”

Mij valt in het verhaal op dat hij “over het randje kijkt” en dat hij zijn enthousiasme wil delen. Bij mij komt het beeld op van een ontdekkingsreiziger in het oerwoud die een nieuwe nederzetting vindt. “kijkend (mee)delen”

In het samenzijn of werken met hem zou je kunnen kijken hoe hij uitgenodigd kan worden om de activiteiten in te zetten die hierboven genoemd zijn. Waarschijnlijk kun je in situaties waar hij zich lekker bij voelt ook aspecten van deze activiteiten herkennen. De situatie waarin hij aan een andere leerling een compliment geeft over zijn tekening is ook een voorbeeld van “kijkend delen”.

De plek

In het gesprek stonden we stil bij de opmerking dat “Hij zijn plek nog niet zou weten”. Het ligt dan voor de hand van te verzinnen hoe je als ouder, of hoe een medeleerling, Hij duidelijk kan maken “wat zijn plek is”: toch bij de jongere kinderen, nog niet zo goed op de hoogte hoe de omgangsvormen zijn, moeten realiseren dat wat als plagen ervaren wordt iets is dat tegen andere kinderen net zo gezegd wordt,….etc……????? Dat voelt onbevredigend. Waarom zou hij “moeten weten wat zijn plek is”? Die plek heeft hij al, dat is namelijk de plek die hij inneemt!

Nuttiger is het waarschijnlijk te vragen wat de kwaliteit is in een groep van iemand die “zijn plek niet weet”. Als ik daarvoor bij mijn eigen ervaring te rade ga: Bij mijn binnenkomst was er nog niemand. Alle plekken aan tafel waren nog open. “ik wist mijn plek niet” en ben op de hoek aan de lange zijde bij de muur gaan zitten. Toen bijna iedereen binnen was, waren de plaatsen aan weerskanten naast mij nog open. Kennelijk creëert het “je plek niet weten” ruimte, zowel de ruimte om om het even waar te gaan zitten, als ruimte om je heen. Dat klinkt door in het verhaal dat Hij de bal over het hek gooit: Het speelveld wordt vergroot, Meester wordt erbij betrokken. En dat vergroten klinkt weer samen met het -haast overdreven- enthousiasme waarmee hij zich uit.

Waar en hoe zou hij uitgedaagd kunnen worden om dingen die hij doet, of waarbij hij betrokken is ‘groter, ruimer’ te maken? Dat zou een manier kunnen zijn om niet alleen voor Hij, maar ook voor de andere kinderen ervaarbaar te maken welke plek Hij inneemt. Een manier waarvoor Hij niet hoeft te veranderen, maar juist nog meer zichzelf kan zijn. Is dat bijvoorbeeld dat ‘vergroten’ juist een appél om hem eerder bij de grote dan bij de kleine kinderen te betrekken?

Intuïtie

Het met fantasie kijken naar de handelingsimpuls en het zoeken naar de kwaliteit van “irritant” gedrag zijn mogelijkheden om je voor te bereiden op toekomstige situaties. De mogelijkheden die je doordenkt kunnen inspireren om in een nieuwe situatie tot je eigen verrassing iets te doen of te zeggen wat in dat moment werkzaam blijkt te zijn. Je handelt dan intuïtief juist. Het terugkijken op zulke gelukte onverwachte handelingen vormt een bron voor nieuwe intuïties.